We waren net begonnen aan een eerste verkenning van het thema ‘begeleiderschap met lef’, waar ik over zou gaan spreken, toen ik opeens merkte aan de blikken in hun ogen dat iets hun aandacht had getrokken. Voor ik goed en wel besefte wat dat iets was, had de teamleider het gezegd: ‘Je lip bloedt.’ Geschrokken greep ik naar mijn mond. Die ochtend had ik mij bij het scheren gesneden, maar het had een onschuldig wondje geleken. Vervelend genoeg was dat wondje nu kennelijk weer opengegaan. Nog vervelender was, dat het tamelijk gemeen bloedde en mijn hand opeens geheel besmeurd was met bloed.

‘Wacht maar even’, zei de HR-dame. Ze beende het vertrek uit, om al snel terug te keren met wat tissues, een schaar en een pleister. Het was aan de kordate bewegingen duidelijk af te zien, dat de Florence Nightingale in haar was ontwaakt. Heel erg op mijn gemak stemde me dit niet, maar veel andere mogelijkheden dan mij te schikken in de rol van patiënt zag ik vooralsnog niet. Even later had ze de pleister geplakt en monsterde tevreden het resultaat. ‘Dankjewel’, mompelde ik. Met een stuk pleister op mijn mond dat met gemak een kleine jaap in mijn wang had bedekt, voelde ik me ronduit belachelijk. Florence leek zich ondertussen van mijn gevoelens in het geheel niet bewust en had de draad van het gesprek weer opgepakt.

Terwijl ik aantekeningen maakte, probeerde ik mijn gedachten te ordenen. Het was onvermijdelijk dat ik over enkele ogenblikken een kleine uiteenzetting zou geven over mijn visie op het thema lef en begeleiderschap. Daar begon mijn probleem. Want hoe geloofwaardig zou dat overkomen, terwijl een stuk pleister ter grootte van een washand over mijn mond was geplakt? Ik besloot het erop te wagen. ‘Ik ga het erop wagen,’ zei ik, ‘ik haal even de pleister eraf, dat praat wat makkelijker.’

Terwijl ik het deed, voelde ik al dat dit geen goed idee was. En terwijl ik mijn geplande exposé inzette over lef als ruggengraat van begeleiderschap, zag ik de ogen van Florence oplichten. Van de rest van het gesprek herinner ik me niet veel meer. Er kwam een nieuwe pleister die ik beleefd weigerde. En er waren tissues, heel veel tissues. Nooit geweten dat een lip zo hard kan bloeden.

Na afloop liep ik op straat een vriend tegen het lijf. Ik vertelde hem wat me net was overkomen. ‘Jij hebt het er toch altijd over dat een begeleider moet helpen de ander zichzelf te leren accepteren? Dat je de ander leert omgaan met de eigen zwakten en onvolkomenheden? Dit was, zo bezien, toch een topgesprek? Je hebt je eigen stelling voorgeleefd, door niet de perfecte begeleider uit te hangen, maar onhandig en kwetsbaar te zijn. Heb lef, durf fouten te maken, wees belachelijk. Goed gedaan! Moet je vaker doen.’

Verward keek ik hem aan. Ergens wist ik dat hij gelijk had. Maar iets in mij verzette zich.

(verschenen als column onder de titel ‘Lef en begeleiderschap’ in het Tijdschrift voor Begeleidingskunde, 2016/3)

Over de auteur

Joris Brenninkmeijer

Joris is blogger, organisatieontwikkelaar en coach. Het thema van mislukking fascineert hem al sinds hij als schaker zijn eerste successen behaalde, onder meer als jeugdkampioen van Nederland. Het schaken leerde hem hoe moeilijk verliezen is, hoe lastig het is om een nederlaag onder ogen te zien en je fouten grondig te analyseren. Hetzelfde fenomeen ziet hij in zijn huidige werk als organisatieadviseur in de organisaties waar hij mee werkt. Het is vaak lastig open en eerlijk te zijn over je eigen fouten en er samen van te leren. Hij draagt er graag aan bij dat de sfeer en het klimaat zodanig worden, dat dat kwetsbare leergesprek kan ontstaan. Het is zijn waarneming dat succes en mislukken een wonderlijke en paradoxale samenhang hebben. Sinds hij zich bezighoudt met 'mislukking' gaat het hem professioneel gezien voor de wind. Op mislukkingskunst is hij dus voorlopig niet uitgekeken. Kijk voor meer over Joris op www.brenninkmeijer-ontwikkeling.nl

Laat een reactie achter

Close